vendheid, hen voorzeker nooit zou hebben laten ondergaan, indien hij hen ook zonder slag, toen zij nog in het volle bezit hunner krachten waren, had kunnen tuchtigen. De macht der Bellovaken was door dit ruitergevecht gebroken; vele duizenden uitgezocht voetvolk waren gevallen; nauwelijks waren nog eenigen ontkomen, die van de slachting bericht konden geven. Echter hadden de Bellovaken, zoover bij zulk een ongeluk daarvan sprake kan zijn, een groot voordeel door dien slag gewonnen, dat Correus, de aanstoker van den oorlog, was gedood. Want bij zijn leven had in hun staat altijd het domme gemeene volk meer vermocht, dan de raad der ouden.
22. Op deze rede voerde Caesar den gezanten te gemoet, dat in het vorige jaar gelijktijdig met de overige Gallische stammen ook de Bellovaken den oorlog hadden aangevangen. Zij waren het hardnekkigst van allen bij hun gezindheid gebleven, en niet eens door de onderwerping der overigen tot bezinning gebracht. Hij wist zeer goed, dat het heel gemakkelijk was, den dooden de schuld toe te schrijven. Maar niemand had zooveel invloed, om tegen den wil der vorsten, bij den tegenstand van den senaat en in tegenspraak met alle goedgezinden, alleen met een hoop van het gemeene volk, waarop niet viel te rekenen, een oorlog te verwekken en te kunnen voeren. Hij zou zich evenwel tevreden stellen met die straf, welke zij zichzelven hadden berokkend.
23. Den volgenden nacht berichtten de gezanten den hunnen Caesars antwoord, en men bracht de gijzelaars bijeen. Ook uit de overige staten, die eerst hadden afgewacht, hoe 't met de Bellovaken zou afloopen, kwamen gezanten. Zij stelden gijzelaars en onderwierpen zich, met uitzondering van Commius, die uit vrees voor zijn leven niemand vertrouwde. Want, toen Caesar in het vorige