Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/278

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

jaar in Gallië aan deze zijde der Alpen rechtszitting hield, had Titus Labienus ervaren, dat Commius de staten opruide en een geheim verbond tegen Caesar beraamde; hij meende daarom zich aan geen trouweloosheid schuldig te maken, als hij diens ontrouw onschadelijk maakte. Ontbood hij hem in zijn legerplaats, zoo vermoedde hij, dat Commius niet zou komen; om hem dus niet door een dergelijke poging tot dubbele waakzaamheid aan te sporen, zond hij Gajus Volusenus Quadratus af, om hem tot een voorgewend onderhoud te noodigen en bij die gelegenheid te vermoorden. Hij zocht daartoe eenige geschikte centurio's uit, en gaf hem die mede. Men kwam tot een onderhoud samen en, zooals was afgesproken. Volusenus vatte Commius ' hand; maar de betrokken centurio, hetzij de ongewone taak hem in de war bracht, hetzij de begeleiders van Commius het snel verhinderden, kon den man niet neerhouwen; hij had hem echter bij den eersten houw een zware wond aan het hoofd toegebracht. Van beide kanten waren inmiddels de zwaarden getrokken, maar beide partijen hadden meer het voornemen van elkaar los te komen, dan te strijden; de onzen, in de meening, dat Commius doodelijk gewond was; de Galliërs, wijl zij, na het ontdekken van deze hinderlaag, vreesden, dat er nog meer was, dan zij zagen. Sinds dit voorval had Commius, zooals men zeide, besloten, nooit weer een Romein onder de oogen te komen.

24. Nadat Caesar de oorlogszuchtigste volken volkomen, had overwonnen, zag hij, dat verder geen staat oorlogstoerustingen maakte, om zich vijandig tegenover hem te stellen, maar dat slechts eenigen de steden metterwoon verlieten en uit het land vluchtten, om zich aan de Romeinsche heerschappij te onttrekken. Daarna besloot hij, zijn leger te verdeelen en naar verschillende streken te zenden. Den quaestor Marcus Antonius met het twaalfde legioen vereenigde hij