Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/279

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

met zijn eigen troepen; den legaat Gajus Fabius zond hij met 25 cohorten naar het verst afgelegen deel van Gallië, omdat daar nog, zooals hij hoorde, eenige stammen onder de wapenen stonden, en hij de twee legioenen, die aldaar de legaat Gajus Caninius Rebilus onder zich had, niet voor sterk genoeg hield. Titus Labienus riep hij tot zich; het vijftiende legioen echter, dat met hem in de winterkwartieren had gelegen, zond hij naar Opper- Italië, om de Romeinsche burgerkoloniën te beschermen, opdat haar niet door een onverwachten overval der barbaren een zelfde ongeluk overkwam, als in den vorigen zomer den Tergestiners, die door een plotselingen rooftocht en aanval zwaar hadden geleden. Caesar zelf rukte het gebied van Ambiorix binnen, om dit geheel te verwoesten. Moest hij al de hoop opgeven, den verschrikten vluchteling in zijn macht te krijgen, zoo hield hij toch voor ' t naast door zijn eer gevorderd, in diens land dermate menschen, gebouwen en vee te verdelgen, dat Ambiorix door den haat van zijn stamgenooten, indien er al eenigen aan het ongelukslot waren ontkomen, als de oorzaak van deze zoo groote rampen, nooit meer in zijn land zou kunnen terugkeeren.

25. Caesar zond nu deels legioenen, deels hulptroepen naar alle hoeken van Ambiorix' gebied en verwoestte alles door moord, brand en plundering. Een groot aantal menschen kwamen er bij om, of werden gevangen genomen. Daarna zond hij Labienus met twee legioenen tegen de Trevirers, die, wegens de nabijheid van Germanië gewoon aan dagelijkschen strijd, in wildheid van zeden niet veel bij de Germanen achterstonden, en nooit gehoorzaamheid betoonden, dan door een leger daartoe genoodzaakt.

26. Ondertusschen had de legaat Gajus Caninius door brieven en boden van Duratius vernomen, dat een groote menigte vijanden in het land der Pictonen zich hadden.