vcreenigd, weshalve hij in aller ijl opbrak naar de stad Lemonum (Poitiers). Deze Duratius was altijd een trouw vriend der Romeinen gebleven, terwijl een deel van zijn stam was afgevallen. Toen Caninius deze stad naderde, hoorde hij als zeker van de krijgsgevangenen, dat Dumnacus, de aanvoerder der Anden, met vele duizenden Duratius in Lemonum had ingesloten en hem belegerde. Daar hij zich met zijn zwakke legioenen niet met den vijand durfde meten, sloeg hij op een versterkt punt zijn legerplaats op. Intusschen had Dumnacus Caninius' aantocht vernomen; hij brak met al zijn troepen tegen de legioenen op en nam voorbereidende maatregelen, om de legerplaats der Romeinen aan te grijpen. Verscheidene dagen bestormde hij de stad vruchteloos, en toen het hem na groote verliezen niet gelukte, de verschansingen op eenig punt door te breken, keerde hij weder tot de belegering van Lemonum terug.
27. Terzelfder tijd onderwierp de legaat Gajus Fabius verscheidene staten, verzekerde zich van hun trouw door gijzelaars, maar kreeg ook door een brief van Gajus Caninius Rebilus bericht van de gebeurtenissen in het land der Pictonen. Op deze tijding brak hij op, om Duratius te ontzetten. Maar toen Dumnacus zijn aanmarsch vernam, gaf hij alle hoop op een gunstigen uitslag op, wanneer hij gelijktijdig het Romeinsche leger buiten de stad de spits moest bieden en de belegerden in de stad in 't oog moest houden en tegen hen op zijn hoede zijn. Daarom brak hij ijlings het beleg op en trok af, doch hield zich niet veilig, voordat hij met zijn troepen aan den overkant van den Liger was, dien hij wegens zijn breedte slechts over een brug kon overgaan. Fabius had weliswaar nog geen vijand gezien, noch zich met Caninius vereenigd, maar toch hield hij 't, afgaande op de mededeeling van lieden, die de streek