Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/281

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

kenden, voor 't waarschijnlijkst, dat de verschrikte vijand die richting zou inslaan, welke hij werkelijk insloeg. Hij marcheerde derhalve in aller ijl met zijn troepen naar diezelfde brug en liet de ruiterij zoover voor de legioenen vooruitdraven, dat zij, zonder de paarden af te matten, zich altijd weer in hetzelfde nachtkwartier met de legioenen kon terugtrekken. Onze ruiters haalden, overeenkomstig het bevel, het leger van Dumnacus in en overvielen het. Bij dezen aanval op troepen, die vluchtende, vol schrik, gepakt en gezakt op marsch waren, hieuwen de onzen er velen neder en maakten grooten buit. Zoo keerden zij na de overwinning in het legerkamp terug.

28. Den nacht daarop zond Fabius de ruiterij vooruit met de order, den vijand aan te grijpen en het geheele vijandelijke leger zoolang op te houden, tot hijzelf kwam. Quintus Atius Varus, een man van buitengewone dapperheid en ervaring, sprak den zijnen moed in, dit bevel na te komen, en toen hij het vijandelijke leger had ingehaald, stelde hij eenige zijner escadrons op verschillende geschikte punten op, terwijl hij met de andere het gevecht begon. De vijandelijke ruiterij streed onverschrokken, in vertrouwen op het onmiddellijk nakomende voetvolk, dat langs de geheele kolonne halt maakte en de ruiters tegen de onzen ondersteunde. Het kwam tot een hardnekkigen strijd. Want onze troepen, die den gisteren door hen overwonnen vijand geringachtten en wisten, dat de legioenen hen op den voet volgden, vochten met de grootste dapperheid tegen het voetvolk, terwijl zij zich schaamden te wijken en van begeerte brandden, alléén den slag tot beslissing te brengen. De vijanden meenden, dat er, zooals zij ook den vorigen dag hadden ervaren, geen troepen meer in het gevecht zouden komen, en geloofden nu de gelegenheid te hebben, onze ruiterij te vernietigen.