Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/282

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

29. Terwijl men reeds een tijdlang met de hoogste inspanning had gestreden, stelde Dumnacus zijn voetvolk in slagorde, om zijn ruiters in geregelde aflossing te ondersteunen. Daar kwamen plotseling onze legioenen in gesloten massa in 't gezicht der vijanden. Bij dezen aanblik ontstelden de escadrons der barbaren en schrok het vijandelijk voetvolk; de legertrein geraakte in verwarring en alles stoof met groot geschreeuw in wilde vlucht wijd en zijd uit elkander. Onze ruiters daarentegen, die kort te voren zoo dapper tegen den standhoudenden vijand hadden gestreden, hieven in hun vreugde over de overwinning overal een luid geschreeuw aan, vielen van alle kanten den wijkenden vijand aan en zetten de slachting zoolang voort, als hun paarden voldoende kracht hadden om te vervol gen en hun armen om neer te houwen. Zoo werden meer dan twaalf duizend gewapenden of manschappen, die in de angst hun wapens hadden weggeworpen, gedood en de geheele trein genomen.

30. Onder de vluchtelingen bevond zich de Senoner Drappes, die, bij het begin van den algemeenen Gallischen opstand, met een troep gepeupel, dat hij overal van daan had verzameld, met slaven, die hij tot de vrijheid had opgeroepen, met ballingen, die hij uit alle staten, tot zich had getrokken en straatroovers, die hij had opgenomen, de voor de Romeinen bestemde bagage en transporten had weggevangen. Men wist nu zeker, dat hij met ongeveer 5000 man, die hij op de vlucht had verzameld, naar de provincie ging, en dat de Cadurker Lucterius, die, zooals in het vorige boek is vermeld[1], bij het uitbreken van den Gallischen opstand een inval had willen doen in de provincie, zich bij hem had aangesloten. De legaat Cani-

  1. Boek VII, hoofdstuk 7.