nius brak daarom haastig met twee legioenen op, om hen te vervolgen, ten einde niet de groote schande op zich te laden, dat de provincie door een rooftocht van zulk gespuis nadeel had geleden, of beangst was geworden.
31. Met de rest van het leger rukte Gajus Fabius op tegen de Carnuten en de overige staten, wier troepen in den slag, dien hij tegen Dumnakus had geleverd, zooals hij wel wist, zware verliezen hadden geleden. Want hij twijfelde niet, of zij zouden na de jongste nederlaag wel deemoediger zijn; liet men hun evenwel speelruimte en tijd, dan konden zij door Dumnacus weer worden opgeruid. Met buitengewoon geluk en met groote snelheid onderwierp Fabius deze staten. Want de Carnuten, die, schoon dikwijls gekastijd, nooit van vrede hadden gesproken, stelden gijzelaars en onderwierpen zich; en de overige staten aan de uiterste grenzen van Gallië, aan de kust van den Oceaan, die men de Aremorische staten noemt, volgden het voorbeeld der Carnuten en betoonden bij de aankomst van Fabius en zijn legioenen zonder verwijl gehoorzaamheid. Dumnacus werd uit zijn land verdreven en genoodzaakt, verlaten ronddolende, in de afgelegenste streken van Gallië een schuilhoek te zoeken.
32. Daar Drappes en Lucterius vernamen, dat Caninius met zijn legioenen hun op de hielen zat, en daar zij inzagen, dat hun ondergang, wanneer zij het gebied der provincie betraden, nu zij door het Romeinsche leger werden vervolgd, zeker was, daar hun verder evenzeer de mogelijkheid was afgesneden, hun zwerf- en strooptochten voort te zetten, maakten zij halt in het land der Cadurkers. Hier bezette Lucterius met zijne en Drappes' troepen de van nature buitengewoon sterke stad Uxellodonum, die onder zijn bescherming had gestaan. Hij had eenmaal in goede tijden veel invloed op zijn langenooten geoefend en,