Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/284

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

door steeds nieuwe aanslagen te beramen, groot aanzien bij de barbaren bezeten. Haar inwoners sloten zich bij hem aan.

33. Gajus Caninius verscheen onverwijld voor de stad. Hij vond haar echter van alle kanten door de steilste rotsblokken beschermd, die zelfs zonder verdediging voor gewapenden moeielijk waren te beklimmen. Hij zag echter te gelijk, dat er een groote legertrein in de stad was, die, indien de verdedigers een poging deden zich ermee door een geheime vlucht te verwijderen, niet alleen de ruiterij, maar ook den legioenen niet kon ontgaan. Caninius splitste daarom zijn cohorten in drie afdeelingen en liet die op de aanzienlijkste hoogten drie afzonderlijke legerplaatsen opslaan; van deze uit liet hij langzamerhand, zooveel als het met zijn troepen doenlijk was, een belegeringswal rondom de stad optrekken.

34. Toen de belegerden dit zagen, werden zij, bij de herinnering aan het droevige lot van Alesia, bezorgd en vreesden, dat hun een dergelijk lot bij dit beleg zou ten deel vallen. In 't bijzonder was het Lucterius, die de ellende daar uit eigen ervaring had leeren kennen, die hen er aan herinnerde, voor de proviandeering zorg te dragen. Men besloot daarom eenstemmig, een deel der troepen in de stad te laten en met de overige zonder bagage uit te rukken, om graan in de stad te brengen. Dientengevolge braken in den volgenden nacht Drappes en Lucterius met alle troepen op, behalve 2000 man, die zij als bezetting achterlieten. In weinige dagen brachten zij uit het land der Cadurken, die hen eenerzijds gewillig in het verzamelen van leeftocht hielpen, anderdeels niet konden beletten, dat zij namen wat hun goeddocht, eene groote hoeveelheid graan tezamen. Soms ook deden de vijanden op nachtelijke tochten een aanval op onze verschansingen. Daarom talmde Gajus