Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/286

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

viel de overigen te overweldigen, wanneer men hen kon overrompelen, zoo hield hij 't aan den anderen kant voor een groot geluk, dat niemand aan de slachting was ontkomen, die Drappes bericht van de nederlaag had gebracht. Wij hij overigens in zulk een onderneming geen gevaar zag, zoo zond hij zijn gansche ruiterij en de Germaansche voetknechten, lieden van buitengewone vlugheid, naar de vijandelijke legerplaats vooruit. Hijzelf verdeelde het eene legioen in de drie legerplaatsen en voerde het andere zonder bagage met zich. In de nabijheid van den vijand gekomen, vernam hij van vooruitgezonden verkenners, dat de vijandelijke legerplaats, overeenkomstig de gewoonte der barbaren, niet op de hoogten, maar beneden aan den oever der rivier was gelegen; de Germanen en de ruiters echter waren den onvoorzichtigen vijand onverhoeds op het lijf gevallen en reeds met hem in gevecht. Op dit bericht liet Caninius het legioen zich gereed maken en rukte in slagorde voorwaarts. Zoo werden op een gegeven teeken plotseling van alle kanten de hoogten genomen. Toen dit gebeurde en de Germanen en de ruiters de veldteekens van het legioen zagen, vochten zij met des te grooter woede. Terstond deden ook de cohorten op alle punten een aanval, hieuwen allen neder, of namen hen gevangen, en bemachtigden grooten buit. Onder de gevangenen in dit gevecht bevond zich Drappes zelf.

37. Na dezen zoo buitengewoon gelukkigen slag keerde Caninius, die bijna geen enkelen gewonden soldaat had, terug, om het beleg voort te zetten. En daar nu de van buiten komende vijand, wiens dreigende nabijheid hem vroeger verhinderd had zijn troepen te verdeelen en de veste geheel in te sluiten, was vernietigd, zoo gaf hij bevel, overal de hand aan het werk te slaan. Den vol-