genden dag kwam ook Gajus Fabius met zijn troepen daar aan en nam een ander deel van de belegering der stad bij de hand.
38. Ondertusschen had Caesar den quaestor Marcus Antonius met vijftien cohorten in het land der Bellovaken achtergelaten, om den Belgen alle gelegenheid tot een nieuwen opstand te ontnemen. Hijzelf begaf zich naar de overige staten, liet dezen een groot aantal gijzelaars stellen, doch trachtte overigens door troostende toespraak den algemeenen angst te bedaren. Toen hij bij de Carnuten gekomen was, die, zooals Caesar in het vorige boek heeft verhaald, den oorlog hadden begonnen, en hij bemerkte, dat zij vooral wegens dat schuldbewustzijn in angst verkeerden, eischte hij, ten einde hun staat des te sneller van dezen angst te verlossen, de uitlevering van Gutruatus, den raddraaier bij het roekeloos opzet en aanhitser tot den oorlog, om hem te recht te laten stellen. En ofschoon deze man zich zelfs aan zijn eigen landgenooten niet toevertouwde, werd hij echter spoedig door aller ijver ontdekt en in de legerplaats gebracht. Tegen zijn neiging zag Caesar zich door een grooten toeloop zijner soldaten, die hem alle gevaren en verliezen in dezen oorlog, waaraan Gutruatus schuldig was, onder het oog brachten, gedwongen, hem te laten terdoodbrengen, zoodat hij hem liet doodgeeselen en vervolgens onthoofden.
39. Hier ontving Caesar door talrijke brieven van Caninius bericht van hetgeen met Drappes en Lucterius gebeurd was en van den volhardenden tegenstand der belegerden. Hoe gering hij ook dat kleine hoopje vijanden achtte, meende hij hen toch wegens hun hardnekkigheid zwaar te moeten tuchtigen, opdat niet al de Galliërs zich zouden inbeelden, dat het hun niet zoozeer had ontbroken aan krachten, als wel aan de noodige volharding om den