Romeinen te weerstaan, en opdat ook niet nog andere staten, in het vertrouwen op de voordeelige ligging hunner steden, dit voorbeeld volgen en zich onafhankelijk verklaren zouden. Want Caesar wist, dat het allen Galliërs bekend was, dat dit de laatste zomer van zijn stadhouderschap was, zoodat, hielden zij het dien zomer nog uit, zij verder niets hadden te vreezen. Hij liet derhalve den legaat Quintus Calenus aan het hoofd der legioenen achter met het bevel, hem in gewone marschen te volgen, terwijl hijzelf met de gansche ruiterij zoo snel mogelijk naar Caninius vooruitging.
40. Toen Caesar tegen aller verwachting voor Uxellodunum verscheen, vond hij de stad door de belegerings, werken geheel ingesloten. Ziende, dat het beleg onder geen voorwaarde kon worden opgeheven, doch tevens van overloopers vernemende, dat de belegerden proviand in overvloed hadden, besloot hij pogingen in 't werk te stellen, om den toevoer van water af te snijden. Een rivier stroomde beneden door een diep dal, dat bijna den geheelen berg omgaf, op welks rondom steile wanden de stad Uxellodunum lag. De plaatselijke gesteldheid maakte het onmogelijk, een andere richting aan deze rivier te geven; immers zij stroomde zoo diep tusschen de randen van het dal, dat men haar door nog dieper gegraven grachten nergens heen kon afleiden. Voor de belegerden was het een moeilijke en steile weg, die naar beneden voerde, zoodat, als het door de onzen bovendien nog verhinderd werd, zij zonder wonden en levensgevaar noch aan de rivier konden komen, noch weer langs den steilen opgang terug konden. Toen Caesar dezen voor hen zoo moeilijken toestand had leeren kennen, stelde hij daar overal posten van boogschutters en slingeraars op en plaatste op sommige punten ook schietgevaarten tegenover de gemakkelijkste paden, en op