Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/289

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

deze manier sneed hij den belegerden den gang naar de rivier af.

41. De heele stad haalde daarna water op één plaats, onmiddellijk aan den voet van den stadsmuuur, waar een krachtige bron opwelde, aan de ongeveer driehonderd voet lange stadszijde, om welke de rivier niet heen stroomde. Allen wenschten, den belegerden ook deze bron af te snijden, maar Caesar alleen zag het middel daartoe. Hij liet namelijk, met zwaren arbeid en onder bestendigen strijd, tegenover de bron schutdaken tegen den berg aanbrengen en een dam opwerpen. De belegerden namelijk stormden uit de stad naar beneden en streden zonder eenig gevaar uit de verte, terwijl zij velen der onzen, die hardnekkig bergopwaarts vooruit drongen, verwondden. Toch lieten onze soldaten zich niet afschrikken, de schutdaken verder voorwaarts te brengen en door inspannenden arbeid aan de belegeringswerken de moeilijkheden van het terrein te overwinnen. Te gelijker tijd leidden zij onderaardsche loopgraven van de schutdaken naar de monding der bron, een arbeid, die zich, zonder eenig gevaar en zonder dat de vijand het vermoedde, liet verrichten. De dam werd tot een hoogte van zestig voet opgetrokken en een toren van tien verdiepingen erop gezet, die wel niet gelijke hoogte met den stadsmuur bereikte — want dat was geheel onuitvoerbaar, — maar die zich toch boven de bron verhief. Daar nu van dezen toren de wegen naar de bron met de schietgevaarten werden bestreken, en de inwoners slechts met groot gevaar water konden halen, kwamen er niet slechts slachtvee en lastdieren om van dorst, maar ook een groote menigte menschen.

42. Deze nood bracht groote ontsteltenis onder de belegerden. Zij vulden vaten met talk, pek en houtspaanders, staken die in brand en lieten ze dan op de belegerings-