Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/291

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

maar voor een beschikking der godheid hielden. Zoo moesten zij zich, door den nood gedrongen, overgeven.

44. In de overweging, dat er geen eind aan zijn ondernemingen was te zien, indien meerdere stammen op gelijke wijze op verschillende punten opstonden, achtte Caesar het noodig, door een voorbeeldige straf anderen af te schrikken, en hij kon dat te eer doen, omdat hij wist, dat zijn zachtzinnigheid algemeen bekend was en hij daarom niet behoefde te vreezen, dat een strenge tuchtiging op rekening van een aangeboren neiging tot wreedheid zou worden gesteld. Hij liet daarom allen, die de wapenen hadden gedragen, de handen af houwen, doch schonk hun het leven, om de straf der snoodaards des te duidelijker te doen spreken. Drappes, die, zooals ik heb verhaald, door Caninius was gevangen gemaakt, onthield zich eenige dagen van voedsel, hetzij uit onwil en smart wegens zijn gevangenschap, hetzij uit vrees voor zwaardere staf, en vond zoo zijn einde. Terzelfder tijd viel ook Lucterius, die, zooals vroeger gezegd, uit den slag ontkomen was, in handen van den Arverner Epasnactus. Want wijl hij zich nergens langen tijd veilig achtte en hij wel wist, welk een groot vijand hij in Caesar moest hebben, had hij veelvuldig van verblijf verwisseld en bij velen bescherming gezocht. De Arverner Epasnactus, een bijzonder trouw vriend der Romeinen, bracht hem zonder aarzelen in boeien geklonken tot Caesar.

45. Ondertusschen had Labienus in het gebied der Trevirers een gelukkig ruitergevecht geleverd en zeer vele Trevirers en Germanen gedood, die nooit iemand hun bijstand tegen de Romeinen weigerden. Hun vorsten had hij levend in zijn macht gekregen en onder hen bevond zich ook de Haeduër Surus, die zoowel om zijn dapperheid als wegens zijn geboorte in grooten roep stond en de eenige