Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/292

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

was van de Haeduërs, die tot nog toe de wapenen niet had nedergelegd.

46. Bij de ontvangst van dit bericht zag Caesar zijn ondernemingen in alle deelen van Gallië gelukt en hij geloofde. Gallie door de laatste veldtochten volkomen overwonnen en onderworpen te hebben. Aquitanië echter had hij nog niet betreden; slechts een deel ervan was door Publius Crassus overwonnen[1]. Zoo brak hij dan met twee legioenen naar dat deel van Gallië op, om daar zijn veldtochten te besluiten. Ook deze onderneming bracht hij, evenals de overige, snel en gelukkig ten einde, want al de staten van Aquitanië zonden gezanten tot Caesar en stelden hem gijzelaars. Daarna vertrok hijzelf met een afdeeling ruiterij naar Narbo en liet het leger door zijn legaten in de winterkwartieren brengen. Vier legioenen onder de legaten Marcus Antonius. Gajus Trebonius en Publius Vatinius legde hij in België, twee liet hij er oprukken naar de Haeduërs, die, zooals hij wist, den grootsten invloed hadden in geheel Gallië, twee zond hij er naar het land der Turonen aan de grens der Carnuten, om die geheele kuststreek in toom te houden, de twee overige betrokken de winterkwartieren in het gebied der Lemovikers niet ver van de Arverners, opdat zoo alle deelen van Gallië bezet zouden zijn. Hijzelf vertoefde slechts eenige dagen in de provincie, bereisde snel al de Romeinsche gemeenten, onderzocht de staatsgeschillen en kende belooningen toe aan hen, die zich te zijnen opzichte verdienstelijk hadden gemaakt. Hij had namelijk bij den opstand van geheel Gallië, waartegen hij zich alleen door de trouw en den bijstand der provincie had staande gehouden, de beste gelegenheid gehad een ieders

  1. Zie 3e boek, hoofdstuk 20-28.