gezindheid te leeren kennen. Na dit te hebben afgehandeld, begaf hij zich naar de legioenen in België en bracht den winter door te Nemetocenna[1].
47. Hier ontving hij het bericht van een gevecht, dat de Atrebaat Commius tegen zijn ruiterij had geleverd. Want ofschoon Antonius de winterkwartieren betrokken had en de staat der Atrebaten getrouw aan zijn plicht bleef, leefde toch Commius, die sinds zijn bovenvermelde verwonding[2] bij elke beweging zijner landgenooten tegen Rome altijd dadelijk placht bij de hand te zijn, om een poging tot opstand gewapenderhand te steunen en te leiden, ook na de onderwerping van zijn staat, met zijn ruiters van strooptochten, maakte de wegen onveilig en nam ook verscheidene transporten weg, die voor de winterkwartieren der Romeinen bestemd waren.
48. Als aanvoerder der ruiterij was Cajus Volusenus Quadratus aan Antonius toegevoegd, die met hem de winterkwartieren had betrokken. Dezen zond Antonius uit, om de vijandelijke ruiterij te vervolgen. Volusenus paarde aan een uitstekende dapperheid een grooten haat tegen Commius, zoodat hem deze opdracht des te liever was. Meermalen overviel hij uit een hinderlaag diens ruiters en leverde gelukkige gevechten tegen hen. Den laatsten keer, toen er buitengewoon hevig werd gestreden, zette Volusenus, uit begeerte om Commius zelf te vangen, hem veel te hardnekkig met weinige ruiters na. Toen deze zijn persoonlijken vijand door snelle vlucht ver genoeg van zijn troepen had weggelokt, riep hij plotseling zijn lieden om bescherming en bijstand aan, opdat zij de hem door Volusenus arglistig toegebrachte wonden niet ongewroken zouden laten, wendde