Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/294

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

zijn paard en joeg, den overigen vooruit, vermetel op onzen bevelhebber in. Al zijn ruiters volgen zijn voorbeeld, werpen de weinige Romeinsche ruiters overhoop en zetten hen na. Commius gaf zijn paard de sporen, stuurde het recht op dat van Quadratus aan en stootte dezen met groote kracht zijn lans midden door de dij. Nu hun aanvoeder gewond was, maakten de onzen zonder aarzelen halt, wendden de paarden en dreven den vijand terug. Hierbij werden door den hevigen aanloop der onzen velen overhoop geworpen en gewond, of deels op de vlucht vertrapt, deels gevangen genomen. Dit gevaar ontging Commius door de snelheid van zijn paard; de aanvoerder onzer ruiterij echter werd, zwaar gewond, zoodat hij in levensgevaar scheen te verkeeren, in de legerplaats teruggebracht. Commius zond hierop, hetzij, omdat zijn wrok was bevredigd, hetzij, omdat hij een groot deel der zijnen had verloren, gezanten naar Antonius en stelde gijzelaars als waarborg, dat hij zich in het vervolg op een voorgeschreven plaats zou ophouden en gehoorzaamheid betoonen. Slechts smeekte hij, dat men in zooverre met zijn vrees rekening zou houden, dat hij niet onder de oogen van een Romein behoefde te komen. Daar dit verlangen, naar Antonius' oordeel, voortkwam uit een gegronde vrees, willigde hij het in en nam de gijzelaars in ontvangst. Ik weet, dat Caesar ieder jaar afzonderlijk in een afzonderlijk boek heeft behandeld, hetgeen ik voor mij hier niet noodzakelijk vind, omdat het volgende jaar, onder de consuls Lucius Paulus en Gajus Marcellus, niet op even gewichtige gebeurtenissen in Gallië heeft te wijzen. Opdat men evenwel wete, waar Caesar en zijn legioenen in dien tijd hebben gestaan, wil ik dat nog kortelijk meedeelen en als aanhangsel aan dit boek toevoegen.

49. Gedurende zijn winterverblijf in België, stelde Caesar