Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/297

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Labienus stelde hij over Romeinsch Gallië, om door diens bemiddeling aan de bewoners der provincie des te nadrukkelijker zijn candidatuur voor het consulaat aan te bevelen. Hijzelf trok met zijn troepen van tijd tot tijd heen en weer, naarmate hij een wisseling van standplaats voor den gezondheidstoestand voor nuttig hield. Op deze tochten hoorde hij herhaaldelijk, dat Labienus door zijn (Caesars) vijanden werd opgeruid, en werd hij onderricht, dat de plannen der oligarchen bedoelden, hem door middel van een senaatsbesluit een deel van zijn leger te ontnemen. Echter geloofde hij niets van de geruchten, die omtrent Labienus in omloop waren, en evenmin kon hij besluiten, iets tegen den senaat te doen; want hij meende, dat bij een vrije stemming der senatoren zijn zaak gemakkelijk zou zegevieren. De volkstribuun Gajus Curio namelijk, die de verdediging van Caesars zaak en aanzien op zich had genomen, had meermalen den senaat verzekerd, dat, indien iemand de vrees voor Caesars gewapende macht verontrustte, dan moesten, dewijl ook Pompejus ' geweldheerschappij en gewapende macht het openbare leven niet geringen angst aanjoegen, beiden de wapenen neerleggen en hun legers naar huis zenden; dan zou de staat weder vrij en zelfstandig zijn. En hij verzekerde dit niet slechts, maar hij trachtte ook op eigen hand een stemming daarover te doen houden. Doch de consuls en de vrienden van Pompejus veroorloofden dit niet, en zoo verijdelden zij de zaak door hun ingrijpen [1].

  1. Niet de volkstribuun bekleedde in den senaat het voorzitterschap, maar de consul. De stemming, die eerstgen, liet houden, kon dus niet geldig zijn, tenzij de consul toestemde, maar dat geschiedde niet. En zoo had de stemming geen resultaat, ofschoon het bleek dat behalve de Pompejanen, alle anderen er voor waren. Niettemin had de senaat zijn meening toch duidelijk doen blijken.