Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/298

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

53. Dit was een belangrijke meeningsuiting van den geheelen senaat, die overeenstemde met een vroeger feit. Want toen Marcus Marcellus, bij zijn aanval op Caesars aanzien in het vorige jaar, tegen de wet van Pompejus en Crassus vóór den tijd een voorstel had gedaan aan den senaat over de provinciën van Caesar, en hij, die in Caesars verongelijking al zijn roem zocht, na het debat liet stemmen, verwierp de senaat met groote meerderheid zijn voorstel. Hierdoor lieten zich Caesars vijanden echter niet ontmoedigen; veeleer werden zij er door aangespoord, hun verbindingen verder uit te breiden, om den senaat tot aanneming van hun voorstellen te dwingen.

54. Het kwam dan tot het senaatsbesluit, dat Cnejus Pompejus en Gajus Caesar ieder één legioen voor den oorlog met de Parthen zouden stellen. Het was duidelijk, dat men de beide legioenen aan éénen, aan Caesar, wilde ontrukken. Want Cnejus Pompejus wees het eerste legioen, dat hij in Caesars provincie had doen lichten en dat hij daarna aan Caesar had gezonden, voor zijn deel aan. Caesar zond echter, ofschoon er niet de minste twijfel bestond aan de bedoeling zijner tegenstanders, het legioen aan Pompejus terug en gaf, overeenkomstig het senaatsbesluit, voor zijn deel het vijftiende legioen, dat hij in Cisalpijnsch Gallie had gehad, over. In de plaats van dit legioen zond hij het dertiende naar Italië, om de posten te bezetten, waaruit het vijftiende aftrok. Hijzelf verdeelde zijn leger in de winterkwartieren. Gajus Trebonius legde hij met vier legioenen in België. Gajus Fabius liet hij met even zooveel legioenen naar de Haeduërs oprukken. Want zoo geloofde Caesar de rust van Gallië het best te verzekeren, indien de Belgen als de dapperste en de Haeduërs als de invloedrijkste Gallische stam door het leger in toom werden gehouden. Hijzelf vertrok naar Italië.