Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/37

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

gevolg aan deze eischen, dan zou hij met Caesar en het Romeinsche volk eeuwig in vrede en vriendschap leven; zoo niet, dan zou Caesar, overeenkomstig een senaatsbesluit onder de consuls Marcus Messala en Marcus Piso, waarbij de stadhouder der provincie Gallië, in zoover hij dat ten beste van den staat kon doen, verplicht was de Haeduërs en de overige bondgenooten van het Romeinsche volk te beschermen, de mishandelingen den Haeduërs aangedaan niet ongestraft laten.

36. Ariovistus antwoordde daarop: „ Overeenkomstig het oorlogsrecht kon de overwinnaar met de overwonnenen handelen naar goedvinden. Ook het Romeinsche volk placht met de overwonnen volken niet naar een andermans voorschriften, maar naar eigen goeddunken te handelen. Schreef hij den Romeinen niet voor, hoe zij hun recht hadden uit te oefenen, van hun kant moesten de Romeinen hem niet in de uitoefening van zijn recht belemmeren. De Haeduërs hadden het geluk der wapenen beproefd, zij waren slaags met hem geraakt en hadden het onderspit gedolven; ten gevolge daarvan waren zij hem schatplichtig geworden. Caesar handelde zeer onrechtvaardig, dat hij door zijn ingrijpen hem zijn inkomsten verminderde. Den Haeduërs zou hij de gijzelaars niet teruggeven, maar hij zou noch hen, noch hun bondgenooten wederrechtelijk beoorlogen, indien zij ten minste de overeenkomst hielden en jaarlijks hun schatting betaalden. Deden zij dat niet, dan zou hun de broedertitel van het Romeinsche volk niets helpen. Wanneer Caesar hem aankondigde, niet onverschillig te zullen blijven bij de mishandelingen der Haeduërs, hij bedenke, dat nog niemand met hem, Ariovistus, dan tot zijn eigen verderf had gestreden. Caesar mocht komen, als hij wilde hij zou de dapperheid der onoverwinbare Germanen, die zoo buitengewoon bedreven waren met de wapenen en