onze opperheerschappij niet zoo gemakkelijk meer konden bereiken.
2. Op deze berichten en tijdingen lichtte Caesar in Cisalpijnsch Gallie twee nieuwe legioenen en zond ze onder den legaat Quintus Pedius met het begin van den zomer naar het meer naar binnen gelegen Gallië. Hijzelf vertrok naar het leger, zoodra er genoeg fourage was. Den Senonen en den overigen Galliërs, die op de grenzen der Belgen wonen, droeg hij op, berichten in te winnen over hetgeen er bij dezen voorviel en hem dienaangaande in te lichten. Zij meldden allen eenstemmig, dat er legerbenden werden bijeengetrokken en het leger op één punt werd vereenigd. Toen meende Caesar zonder verwijl tegen hen te moeten optrekken. Na den koorntoevoer geregeld te hebben, brak hij op en bereikte ongeveer in vijftien dagen het gebied der Belgen.
3. Bij zijn onvoorziene en onverwacht snelle aankomst zonden de Remers, die van de Belgische volken het dichtst bij Gallië wonen, de eersten van hun staat, Iccius en Andecombogius, als gezanten tot hem. Zij verklaarden, dat de Remers zich met hun gansche have op genade en ongenade aan het Romeinsche volk overgaven; dat zij niet met de overige Belgen eensgezind waren, noch tegen de Romeinen een verbond hadden gesloten, en bereid waren gijzelaars te stellen, gehoorzaamheid te bewijzen, hun steden voor hen te openen en hun met koorn als anderszins behulpzaam te zijn. Al de overige Belgen, zoo zeiden zij, stonden onder de wapenen. De Germanen aan deze zijde van den Rijn hadden zich met hen vereenigd en er heerschte zulk een dolle opgewondenheid bij hen allen, dat zij, de Remers, er zelfs niet in geslaagd waren, de Suessionen, hun broeders en bloedverwanten, die onder hetzelfde recht, onder dezelfde wetten leefden als zij, ja een en dezelfde regee-