Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/56

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

zooveel; de Atrebaten 15.000, de Ambianers 10.000, de Moriners 25.000, de Menapiërs 7.000, de Caleten 10.000, de Veliocassers en Viromanduers evenveel, de Aduatukers 19.000; de Condrusen. Eburonen. Caeroesers. Paemaners, die men onder den algemeenen naam Germanen begrijpt, schatten zij te zamen op ongeveer 40.000 man."

5. Caesar sprak den Remers moed in en richtte vriendelijke woorden tot hen; hij beval hun geheelen senaat tot hem te komen en verlangde de kinderen van hun vorsten als gijzelaars. Dit alles werd nauwgezet op den bepaalden dag nagekomen. Hijzelf stelde den Haeduër Diviciacus dringend voor oogen, hoe gewichtig het was voor den staat en hun gemeenschappelijk welzijn, de vereeniging der vijandelijke scharen te verhinderen, opdat men niet te gelijker tijd met een zoo sterke macht moest strijden. Dat kon geschieden, indien de Haeduërs met hun troepen in het gebied der Bellovakers vielen en hun land verwoestten. Met deze opdracht liet hij hem gaan. Middelerwijl hadden de Belgen al hun strijdkrachten vereenigd en rukten nu tegen Caesar op; van de uitgezonden patrouil, les en van de Remers vernam hij, dat ze zelfs niet ver meer af waren. Derhalve trok hij met zijn leger ijlings de Axona (Aisne) over, een grensrivier der Remers, en sloeg daar zijn legerplaats op. Zoo beschermde hij door den oever der rivier één flank van zijn legerkamp, dekte zich den rug voor den vijand en maakte, dat de transporten uit het gebied der Remers en der andere staten zonder gevaar tot hem konden komen. Over de rivier lag een brug; die bezette hij, terwijl hij aan den anderen kant der rivier den legaat Quintus Titurius Sabinus met zes cohorten achterliet. De legerplaats liet hij met een wal van twaalf voet hoog en een gracht van achttien voet breed versterken.