6. Van deze legerplaats was de Remische stad Bibrax[1] acht mijlen verwijderd, welke stad de Belgen op hun marschroute met groote onstuimigheid aantastten. Met moeite hield zij 't dien dag nog uit. Galliërs en Belgen hebben dezelfde manier om een stad aan te grijpen. Van alle kanten worden de muren door een dichte menigte besprongen, dan worden van elk punt steenen er op geworpen; is dan de muur van verdedigers ontbloot, dan vormen de aanvallers een schutdak, steken de poorten in brand en ondergraven den muur. Dat ging toen gemakkelijk, want bij zulk een regen van steenen en werpspiesen kon niemand op den muur stand houden. Toen de nacht een einde aan den aanval had gemaakt, zond de toenmalige bevelhebber der stad, de Remer Iccius, een man van hoogen adel en aanzien in zijn staat, die ook bij het vredesgezantschap van Caesar geweest was, een boodschap aan Caesar, dat hij, kwam er geen hulp, het niet langer kon uithouden.
7. Caesar zond nu ongeveer middernacht Numidiërs, Kretensische boogschutters en Balearische slingeraars den belegerden te hulp, terwijl hij hun als geleiders de boden medegaf, die hem door Iccius waren gezonden. Hun komst vervulde eensdeels de Remers met hoop zich te kunnen staande houden en verhoogde hun moed tot tegenstand, anderdeels benam zij om dezelfde reden den vijand de hoop om de stad te vermeesteren. Zij verwijlden derhalve slechts korten tijd bij de stad, verwoestten het land der Remers, staken alle dorpen en woningen in brand, die zij konden bereiken, en rukten dan met hun gansche strijdmacht los op Caesar's legerplaats. Op een afstand van nog geen volle twee mijlen sloegen ze hun kamp op, dat,
- ↑ Gewoonlijk houdt men daarvoor het tegenw. Bièvre bij Laon.