Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/58

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

zooals men uit den rook der wachtvuren kon zien, meer dan acht mijlen in de breedte besloeg.

8. Aanvankelijk besloot Caesar, deels wegens de overmacht des vijands, deels wegens de hooge meening, die hij had van hun dapperheid, van een beslissenden slag af te zien, maar toch stelde hij dagelijks door ruitergevechten de dapperheid van den vijand en den moed der zijnen op de proef, waarbij hij zag, dat wij den vijand niets toegaven. Het terrein vóór de legerplaats was voor het opstellen van een leger in slagorde van nature bijzonder geschikt. Want de hoogte, waarop het legerkamp was opgeslagen, zich zachtkens uit de vlakte opheffende, breidde zich van voren slechts zoover uit, dat een leger in slagorde haar geheel kon bezetten. Rechts en links had zij steile hellingen, terwijl zij, in het front zacht afloopend, zich langzaam in de vlakte verloor. Aan beide zijden van dezen heuvel maakte hij een dwarsliggende gracht van ongeveer 400 schreden, aan welker einden hij schansen liet opwerpen en geschut plaatste, opdat de vijanden hem niet bij hun overmacht gedurende den slag in de flank en in den rug aangrepen. Hierop liet hij de twee pas gelichte legioenen in de legerplaats achter, om ze, zoo noodig, als reserve te kunnen gebruiken, en stelde de zes overige vóór het legerkamp in slagorde. Ook de vijand had zijn troepen uit de legerplaats gevoerd en opgesteld.

9. Beide legers scheidde een niet uitgestrekt moeras. De vijand verwachtte, dat de onzen daarover zouden gaan; wij echter stonden slagvaardig, om den vijand, indien hij het eerst erover ging, aan te vallen, terwijl hij zich niet weren kon. Intusschen werd er een ruitergevecht geleverd op het veld tusschen de beide legers. Toen geen van beide partijen een begin ermee maakte het moeras over te gaan, en het ruitergevecht voor de onzen nog al gunstig was uit-