gevallen, voerde Caesar de zijnen in de legerplaats terug. Terstond rukte de vijand uit zijn stelling bij de Axona, die, zooals gezegd, achter onze legerplaats stroomde. Daar trachtte hij een afdeeling van zijn troepen door de gevonden ondiepten over te voeren, met de bedoeling, zoo mogelijk de schans, waar de legaat Quintus Titurius het bevel voerde, te veroveren en de brug te vernielen, of, als zij dit niet konden gedaan krijgen, ten minste het land der Remers, die ons van goeden dienst in den oorlog waren, te verwoesten en ons den toevoer af te snijden. 10. Op het bericht van Titurius ging Caesar met al zijn ruiterij, de licht gewapende Numidiërs, zijn slingeraars en boogschutters over de brug en op den vijand los. Het kwam daar tot een hevig gevecht. De onzen grepen den vijand aan, terwijl hij nog bezig was de rivier over te gaan, en doodden velen; de overigen, die met de grootste onverschrokkenheid over de lijken der gevallenen den stroom wilden overgaan, werden door een hagel van schoten teruggedreven, en de voorsten, die aan den overkant gekomen waren, werden door de ruiterij omsingeld en neergeveld. De vijanden zagen zich nu in hun hoop, om de stad (Bibrax) te nemen en de rivier over te steken teleurgesteld; zij merkten te gelijk, dat wij in een minder gunstige stelling geen slag aannamen, en de proviand begon hun te ontbreken. Daarom riepen zij een krijgsraad bijeen en besloten, dat 't het beste was, dat ieder naar huis terugkeerde, maar dat allen zich weder vereenigden tot verdediging van dien staat, in welken de Romeinen het eerst een inval zouden doen. Het was toch verkieselijker, in eigen dan in vreemd land oorlog te voeren en den voorraad van levensmiddelen van het eigen land te kunnen gebruiken. Tot dit besluit bracht hen, buiten en behalve de andere oorzaken, ook het bericht, dat Diviciacus met de
Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/59
Uiterlijk