Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/6

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Uit den derden Mithradatischen oorlog te Rome teruggekeerd, werd hij de meest beteekenende man der demokratie geacht en wierp hij zich van nu aan voorgoed op de staatkunde. In hem had de demokratie een hoofd gevonden, dat, in alles haar vroegere leiders overtreffende, tegen de partij der optimaten zonder de minste verschooning optrad en haar op alle wijzen vervolgde. In 68 quaestor werd hij in 65 aediel, in 63 pontifex maximus, in 62 praetor, om daarna het bestuur der provincie Hispania ulterior op zich te nemen, waar hij zich reeds door krijgsdaden onderscheidde. In 60 wederom te Rome verschenen, ten einde naar het consulaat voor het volgende jaar te dingen, rees bij hem de gedachte, door een verbond met den door den senaat in zijn eischen gedwarsboomden, als overwinnaar van Mithradates uit het Oosten teruggekeerden Pompejus, beider invloed tegen de aristokratie te vereenigen. Het eerste driemanschap ontstond, dat de macht in handen legde van Caesar. Pompejus en Crassus en een tegenwicht tegen den senaat vormde. Gekozen consul voor het jaar 59, liet Caesar zich het stadhouderschap van Gallië opdragen, en hier zag hij zich het tooneel geopend, waarop hij schitterenden roem verwerven en te gelijk en vooral, ten behoeve der demokratie, een uitmuntend leger kon vormen. Niet lang bleef het driemanschap eendrachtig van zin. Al was het in 56 te Lucca onder den drang der omstandigheden vernieuwd en bevestigd, op den duur bestond er geen overeenstemming. Sedert Pompejus, ijverzuchtig op het klimmend aanzien en de stijgende macht van Caesar, bij wiens krijgsdaden in Gallië zijn Aziatische overwinningen bijna in vergetelheid geraakten, allengs meer met de nobiliteit, die den veroveraar van Gallië doodelijk haatte, wijl zij in hem den gevaarlijksten vijand der oude instellingen begon te zien, op goeden voet geraakte —