Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/60

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Haeduërs in aantocht was tegen het gebied der Bellovakers; want dezen waren niet te bewegen, langer te blijven en hun landgenooten zonder hulp te laten.

11. Overeenkomstig dit besluit braken zij ongeveer met de tweede nachtwake onder veel gedruisch en rumoer op, zonder bepaalde orde en leiding. Ieder wilde op den weg vooraan zijn en haastte zich naar huis te komen, zoodat hun aftocht op een vlucht geleek. Caesar ontving terstond door zijn verspieders bericht hiervan, doch, dewijl hij de oorzaak van hun aftocht nog niet wist, vreesde hij een krijgslist en hield daarom voetvolk en ruiterij binnen de legerplaats. Met het krieken van den dag werd de aftocht door kondschappers bevestigd, en nu zond hij zijn geheele ruiterij onder bevel der legaten Quintus Pedius en Lucius Aurunculejus Cotta vooruit, om de achterhoede op te houden. Den legaat Titus Labienus liet hij met drie legioenen de ruiterij op den voet volgen. Zij vielen de achterhoede aan, zaten haar verscheiden mijlen ver op de hielen en hieuwen een groote menigte ervan op de vlucht neder. Terwijl het laatst komende gedeelte der achterhoede, die men had ingehaald, halt maakte en dapper tegen den aanval der onzen stand hield, zocht de spits, omdat zij zich buiten gevaar geloofde en noch door dwang, noch door eenig bevel werd bijeengehouden, zoodra zij het geschreeuw achter zich hoorde, in volle wanorde haar heil in de vlucht. Zoo doodden de onzen gedurende den ganschen dag zonder eenig gevaar een groote menigte vijanden; eerst tegen zonsondergang staakten zij de vervolging en gingen, zooals bevolen was, naar de legerplaats terug.

12. Den volgenden dag trok Caesar, nog voordat de vijanden van den schrik en de vlucht waren bekomen, het gebied der Suessionen, de naaste buren der Remers, binnen, en rukte in een sterken marsch haastig op naar