Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/61

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

de stad Noviodunum (Soissons). Hoorende, dat zij van verdedigers was ontbloot, wilde hij haar terstond aangrijpen, maar wegens de breedte der gracht en de hoogte der muren kon hij haar, ofschoon het getal verdedigers slechts gering was, niet veroveren. Na zijn legerplaats te hebben verschanst, begon hij de schutdaken aan te voeren en alle aanstalten tot een belegering te maken. Ondertusschen verzamelde zich in den volgenden nacht de gansche menigte Suessionen van hun vlucht in de stad. Snel werden de schutdaken tegen de stad aangevoerd, de dam opgeworpen en torens opgericht. Deze groote werken, waarvan de Galliërs vroeger nooit iets gezien of gehoord hadden, en de vlugheid der Romeinen daarmede bewoog hen, gezanten tot Caesar te zenden, om over de overgave te onderhandelen. Op voorspraak der Remers werden zij begenadigd.

13. Caesar liet zich door hen de voornaamsten van den staat en onder dezen de beide zonen van hun koning Galba als gijzelaars geven, benevens alle wapenen, die in de stad voorhanden waren, uitleveren; daarna nam hij de onderwerping der Suessionen aan en rukte op tegen de Bellovakers. Dezen hadden zich met al hun have naar de stad Bratuspantium (Beauvais) begeven. Nauwelijks nog ongeveer vijf mijlen was Caesar van de stad verwijderd, of alle oudere lieden kwamen hem te gemoet, hieven de handen tot hem op en trachtten hem door geroep te verstaan te geven, dat zij zich aan hem op genade en ongenade overgaven en niet tegen de Romeinen wilden strijden. En toen Caesar voor de stad gekomen was en een legerplaats daar opsloeg, strekten ook vrouwen en kinderen op den muur hun handen naar hem uit en smeekten zoo naar Gallisch gebruik de Romeinen om vrede.

14. Te hunnen gunste sprak Diviciacus, die na den aftocht der Belgen de troepen der Haeduërs had ontslagen