Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/62

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

en naar Caesar was teruggekeerd. De Bellovakers waren te allen tijde trouwe vrienden der Haeduërs geweest. Hun vorsten hadden hen opgehitst door te zeggen, dat de Haeduërs door Caesar tot slaven waren gemaakt en dat zij alle mogelijke vernedering en smaad verduurden, en zoo waren zij van de Haeduërs afgevallen en hadden den Romeinen den oorlog aangedaan. De aanstokers van dat besluit waren, wijl zij zagen, welk een ongeluk zij over den staat hadden gebracht, naar Britannië gevlucht. Niet alleen de Bellovakers, maar ook de Haeduërs als hun voorspraak baden hem, grootmoedigheid en goedertierenheid jegens hen te betrachten. Daardoor zou hij het aanzien der Haeduërs bij alle Belgen vergrooten, door wier hulp en bijstand zij zich, bij het uitbreken van een oorlog, plachten staande te houden."

15. Caesar antwoordde hierop, dat hij uit achting voor Diviciacus en de Haeduërs hun onderwerping in genade wilde aannemen. Hij verlangde echter wegens het groote aan zien van hun staat bij de Belgen en wegens hun groot bevolkingscijfer 600 gijzelaars. Toen deze gesteld en alle wapens uit de stad bijeengebracht waren, rukte hij van daar het gebied der Ambianers binnen, die zich met al het hunne zonder verwijl overgaven. Aan dezen grensden de Nerviërs, van wier aard en zeden Caesar bij zijn navorsching daaromtrent het volgende hoorde:

Bij hen mochten geen kooplui over de grenzen komen; de invoer van wijn en van andere zaken van weelde was verboden, omdat daardoor — zoo meenden zij — hun moed verslapte en hun dapperheid afnam. Zij waren wild en dapper; zij scholden en schimpten op de overige Belgen, die zich aan de Romeinen hadden overgegeven en de geërfde dapperheid der vaderen verloochenden. Zij waren vast besloten, noch gezanten te zenden, noch voorslagen van vrede, welke ook, aan te nemen.