16. Toen Caesar een marsch van drie dagen door hun land had gemaakt, vernam hij van de krijgsgevangenen, dat de Sabis (Sambre) van zijn Jegerplaats niet meer dan tien mijlen verwijderd was; dat de geheele strijdmacht der Nerviërs aan gene zijde dier rivier was gelegerd en daar, vereenigd met hun naburen de Atrebaten en Veromanduërs, de Romeinen afwachtte; want deze beide volken hadden zij overreed, gemeenschappelijk met hen het oorlogsgeluk te beproeven. Zij verwachtten ook nog de Aduatukers, die reeds op marsch waren. Vrouwen, en al wie om hun leeftijd niet bruikbaar waren in den oorlog, hadden zij in allerij op een plaats gebracht, die wegens de moerassen voor een leger ontoegankelijk was.
17. Hierop zond Caesar patrouilles en centurio's vooruit, om een geschikte plek voor een legerplaats uit te zoeken. Van de onderworpen Belgen en de andere Galliërs sloten er zich verscheidenen bij Caesar aan en maakten den marsch mede. Eenigen van hen wisten, nadat zij zich met de marschorde van ons leger gedurende die dagen bekend hadden gemaakt, zooals men later van krijgsgevangenen vernam, 's nachts naar de Nerviërs te ontkomen en deelden hun mede, dat een groote legertrein tusschen elke twee legioenen marcheerde. Men kon daarom gemakkelijk het eerste legioen bij zijn aankomst in de legerplaats, terwijl het zijn pakkage nog droeg, en de overige legioenen nog ver achter waren, aanvallen. Was dan het eerste legioen geslagen en de dit legioen volgende tros geplunderd, dan zouden de overige legioenen het niet wagen weerstand te bieden. Ter aanbeveling van dit plan der verraders droeg nog het volgende bij. Van oudsher beteekent de ruiterij bij de Ner viërs niet veel, want ook tot dusver stellen zij er geen prijs op, en hun gansche sterkte bestaat in hun voetvolk. Om nu des te gemakkelijker de ruiterij hunner naburen