Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/65

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

tot zoover als het open terrein zich uitstrekte. Ondertusschen begonnen, nadat de ruimten voor de afzonderlijke legerafdeelingen waren afgemeten, de het eerst aangekomen legioenen de legerplaats te verschansen. Zoodra nu de vijanden in het bosch de spits van den trein van ons leger zagen aankomen — dit was het afgesproken oogenblik tot den aanval — stormden zij plotseling, zooals zij zich in het woud in rij en gelid hadden gesteld en zichzelf moed hadden ingesproken, met hun gansche strijdmacht te voorschijn en wierpen zich op onze ruiterij. Deze werd gemakkelijk geslagen en voortgejaagd en nu stortten zij zich met ongeloofelijke snelheid in de rivier, zoodat zij bijna op hetzelfde oogenblik als zij uit het woud te voorschijn kwamen, in de rivier en reeds in onze onmiddellijke nabijheid werden gezien. Met dezelfde snelheid stormden zij bergopwaarts los op onze legerplaats en de soldaten, die met den schansarbeid bezig waren.

20. Caesar zou alles te gelijker tijd hebben moeten doen: de roode vaan op de veldheerstent opsteken, het teeken, om naar de wapens te grijpen; het signaal met de trompet geven; de soldaten van den schansarbeid roepen; hen, die zich wat verder hadden verwijderd om hout te bekomen, laten halen; het leger in slagorde stellen; de soldaten aanspreken; het teeken tot den aanval geven. Dit alles moest echter grootendeels wegens gebrek aan tijd en het snelle oprukken van den vijand worden nagelaten. In deze moeilijke omstandigheden kwamen Caesar twee omstandigheden te hulp: vooreerst de oorlogskennis en de ervaring onzer soldaten, dat zij namelijk in vorige gevechten geleerd hadden, wat geschieden moest uit eigen beweging evenzoo goed uit te voeren, als het hun van hooger hand kon worden verordend; en dan, dat Caesar bevolen had, dat geen legaat zich van den schansarbeid en van zijn