Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/66

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

legioen zou verwijderen, voor de versterking van het kamp geheel gereed was. Deze legaten wachtten bij de nabijheid en het snelle voortdringen der vijanden niet eerst op bevelen van Caesar, maar troffen uit zichzelf de noodige maatregelen.

21. Caesar gaf daarom slechts de noodigste bevelen en snelde, om zijn soldaten moed in te spreken, daarheen, waar het toeval het wilde. Zoo kwam hij bij het tiende legioen. Hij hield geen lange toespraak, maar herinnerde de soldaten aan hun oude dapperheid; zij moesten zich daarom niet uit het veld laten slaan en moedig den aanval der vijanden uithouden. Wijl dezen ondertusschen tot op een speerworp genaderd waren, gaf hij het teeken tot den aanval. Daarop ijlde hij naar de andere zijde, om eveneens den soldaten moed in te spreken, doch hij vond hen reeds in vollen kamp. De tijd was zoo kort, de vijand zoo begeerig naar den slag, dat men niet eens tijd had gehad, om de onderscheidingsteekenen van den dienst aan te doen, ja, zelfs niet, om de helmen op te zetten en de overtrekken van de schilden te rukken. Ieder sloot zich bij die afdeeling aan, waar hij van den schansarbeid toevallig kwam en waar hij het eerst een veldteeken zag, ten einde niet, door te zoeken naar het zijne, tijd voor het gevecht te verliezen.

22. Het leger was opgesteld, meer, zooals de gesteldheid van de plaats, de helling van den heuvel en de drang der omstandigheden het eischten, dan naar de grondstellingen en regelen der krijgskunst. De legioenen namelijk, van elkander gescheiden, maakten, het eene hier, het andere daar, tegen den vijand front, en de boven vermelde dichte heiningen tusschen hen benamen het vrije uitzicht. Men kon daarom geen zekere reserven opstellen, noch overal de noodige voorzorgen nemen, en evenmin was de eenheid van leiding mogelijk. Bij zulke ongunstige ver-