Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/67

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

houdingen moesten veelvuldige wisselingen van het krijgsgeluk plaats vinden.

23. Het negende en tiende legioen, die op den linkervleugel stonden, grepen de Atrebaten aan, wien deze post was ten deel gevallen. De onzen, na de werpspiesen tegen hen geslingerd te hebben, dreven hen, die door het loopen en door vermoeienis buiten adem en door hun wonden uitgeput waren, snel t van de hoogte naar de rivier, zetten hen, als zij den overgang waagden, met het zwaard in de hand na en hieuwen een groote menigte haast zonder verweer neder. Zijzelf staken zonder aarzelen over de rivier en drongen voorwaarts, tot zij op een ongunstig terrein kwamen. Daar boden de vijanden opnieuw tegenstand, doch werden na een nieuw gevecht nogmaals op de vlucht gedreven. Evenzoo sloegen op een ander punt twee verschillende legioenen, het elfde en het achtste, de Viromanduërs, met wie zij waren handgemeen geraakt, van de hoogte naar beneden en vochten nog aan den oever der rivier. Maar daar bijna onze geheele legerplaats van voren en aan de linkerzijde ongedekt was, terwijl op den rechtervleugel het twaalfde en niet ver daar vandaan het zevende legioen stond, zoo rukten de Nerviërs met hun geheele strijdmacht, in dichte drommen onder aanvoering van hun opperbevelhebber Boduognatus, naar dat punt. Een deel van hen greep de legioenen op de ongedekte rechterflank aan, een ander deel trachtte het hoogst gelegen punt van het legerkamp te bereiken.

24. Terzelfder tijd stootten onze ruiters en het lichte voetvolk met hen, die, als gezegd, bij den eersten aanval der vijanden teruggeworpen waren, op hun terugtocht naar het legerkamp, weder op den vijand en namen dan opnieuw in een andere richting de vlucht. Ook de treinknechten, die van de poort aan de achterzijde der legerplaats en