van den kam des heuvels de onzen als overwinnaars de rivier hadden zien overtrekken, en om te plunderen uit de legerplaats waren gegaan, verstrooiden zich in wilde vlucht, toen zij omzagen en den vijand reeds midden in ons kamp aanschouwden. Te gelijk verhief zich een geschreeuw en een getier bij hen, die met den tros nog in aantocht waren; zij stoven naar alle kanten uit elkander in de grootste verwarring. Dit alles maakte zeer grooten indruk op de ruiterij der Trevirers, die bij de Galliërs in den roep staan van buitengewone dapperheid, en die zich als hulptroepen van hun staat bij Caesar gevoegd hadden. Toen zij namelijk zagen, dat onze legerplaats door een menigte vijanden werd overstroomd, onze legioenen werden in 't nauw gebracht en bijna ingesloten, dat treinknechten, ruiters, slingeraars. Numidiërs verstrooid en verspreid naar alle kanten een heenkomen zochten, reden zij, onze zaak verloren achtende, naar huis en bráchten hun landgenooten het bericht, dat de Romeinen waren geslagen en de vijanden zich van hun legerplaats en hun bagage hadden meester gemaakt.
25. Caesar had zich na zijn aanspraak aan het tiende legioen naar den rechtervleugel begeven. Daar vond hij de zijnen in de engte gedreven. De veldteekens waren dicht naast elkander opgesteld, de soldaten van het twaalfde legioen op elkaar gedrongen en zichzelf bij het gevecht hinderlijk; alle centurio's van de vierde cohorte, benevens de vaandrig gesneuveld, het vaandel verloren, bijna alle centurio's der overige cohorten gewond of dood. Ook de dappere primipilus[1] Publius Sextius Baculus was wegens zijn vele zware wonden buiten staat zich staande te
- ↑ De „primipilus" was de eerste der 60 centurio's van een legioen. Een legioen telde in den regel in Caesar's tijd 4000 man.