houden. Alle overigen waren mat, en sommigen in de achterste gelederen trokken zich reeds uit het gevecht terug en ontweken de werpspiesen, terwijl de vijand zonder ophouden tegen het front den heuvel opdrong en te gelijk de beide flanken bedreigde. Het was er alzoo hachelijk mee gesteld, en een reserve om ter hulp te zenden ontbrak. Daar nam Caesar, wijl hijzelf geen schild bij zich had, dat van een soldaat uit de achterste gelederen, spoedde zich naar het front, riep de centurio's ieder bij hun naam, en vuurde de overige soldaten door een toespraak aan; daarna beval hij voorwaarts ten aanval te marcheeren en de rotten te openen, om ongehinderd het zwaard te kunnen gebruiken. Zijn verschijnen deed de soldaten hoop scheppen en weer moed vatten. Ieder wilde voor zijn deel onder de oogen des veldheers, ook trots het grootste gevaar voor zichzelf, zich dapper gedragen, en zoo werd het voortdringen der vijanden eenigszins gestuit.
26. Toen Caesar ook het zevende legioen, dat naast het twaalfde stelling had genomen, eveneens door den vijand in 't nauw gebracht zag, gaf hij den krijgstribunen bevel, de legioenen langzamerhand samen te trekken en na een zwenking den vijand aan te grijpen. Daar nu hierdoor onze troepen elkaar wederkeerig ondersteunden en niet meer behoefden te vreezen, dat zij in den rug door den vijand zouden worden aangegrepen, begonnen zij moediger weerstand te bieden en dapperder te vechten. Ondertusschen hadden de soldaten der twee legioenen, die in de achterhoede den trein hadden gedekt, van het gevecht vernomen, waren in stormpas toegesneld en werden reeds op de kam van den heuvel door den vijand gezien. Ook Titus Labienus, die zich van het vijandelijk kamp meester gemaakt en van de hoogten gezien had, wat in onze legerplaats voorviel, zond ons het tiende legioen te hulp. Toen deze sol-