sedert Pompejus zich in de hoofdstad het consulaat zonder ambtgenoot had weten te verwerven en hij daar een invloed bezat, welke dien van Caesar verre overtrof, was de breuk onvermijdelijk. Zij leidde tot den burgeroorlog. Verslagen bij Pharsalus (48), Thapsus (46), Munda (45) ging de republikeinsche partij onder. Uit den burgeroorlog was de alleenheerschappij opgerezen. Onbetwist nam Caesar de plaats in van een monarch, wiens reusachtige taak het was, niet alleen het zoowel door het langjarige, ellendige oligarchisch bestuur, als door den burgeroorlog zwaar geschokte rijk tot rust te brengen en het nieuw leven in te blazen, maar ook om zijn heerschappij op hechten grondslag te bevestigen. De samenzwering van Brutus en Cassius maakte een einde aan ' s mans werkzaamheid en aan zijn leven. Op den 15en Maart 44 viel hij onder moordenaarshanden in de zitting van den senaat. "Gajus Julius Caesar was in de volle beteekenis des woords een groot man, groot in alles, wat hij ondernam. Maar noch als redenaar, noch als schrijver, noch zelfs als veldheer heeft hij dien graad van volkomenheid bereikt, waarop hij stond als staatsman. Zijn onbevangenheid van oordeel, die hem nooit eenige illusie over personen of zaken deed maken, zijn buitengewoon scherp verstand, zijn ongehoorde wilskracht stelden hem in staat het ideaal na te streven van de wedergeboorte van zijn diep gezonken volk. Aan dien grootschen arbeid heeft hij tot zijn laatsten snik gearbeid"[1]. Caesar schreef: "Gedenkschriften van den Gallischen oorlog" in zeven boeken en „Gedenkschriften van den burgeroorlog" in drie boeken. In 59 voor den tijd van vijf jaar (58—53) tot stadhouder van Gallië benoemd, werd zijn mandaat in
- ↑ Zie mijn „Geschiedenis der Romeinen". Amsterdam, 1892.