daten uit de vlucht der ruiters en treinknechten ontwaarden, hoe de zaken stonden en in welk gevaar zich legerplaats, legioenen en veldheer bevonden, snelden zij in allerijl toe.
27. Met hun komst namen de dingen zulk een keer, dat de onzen, zelfs zij, die, door hun wonden uitgeput, waren neergevallen, steunende op hun schilden, den kamp vernieuwden; zelfs de treinknechten, de ontsteltenis der vijanden ziende, gingen, ongewapend, den gewapenden te gemoet; de ruiters echter, om de schande hunner vlucht door hun dapperheid uit te wisschen, waren overal in het gevecht, ten einde boven de legioensoldaten uit te munten. Maar ook de vijanden legden een buitengewone dapperheid aan den dag, schoon de hoop op redding verloren was. Toen de voorsten waren gevallen, gingen de volgenden op hen staan en streden op hun lichamen; en als ook dezen waren neergehouwen en de lijken zich ophoopten, wierpen zij, die nog over waren, als van een heuvel, hun pijlen en slingerden onze opgevangen werpspiesen terug. Men moest inderdaad toegeven, dat zulke dapperen niet te vergeefs het gewaagd hadden een zoo breede rivier over te steken, buitengewoon hooge oevers te beklimmen, naar een zoo ongunstige stelling bergopwaarts te rukken; moeilijkheden, welke hun hooge moed glansrijk had overwonnen.
28. Na dezen slag, waarin het Nervische volk en de Nervische naam bijna volkomen vernietigd was, erkenden, de grijsaards, die, zooals wij gezegd hebben, met de vrouwen en kinderen zich in allerijl naar de lage streken en moerassen begeven hadden, zoodra hun de tijding ervan gewerd, dat den overwinnaars niets meer in den weg stond en voor de overwonnenen geen redding meer bestond. Met algemeene overeenstemming van alle overlevenden zonden zij derhalve gezanten aan Caesar en gaven zich aan hem over, waarbij zij in de schildering van het ongeluk van