hun staat zeiden, dat van hun 600 senatoren nog drie en van de 60.000 mannen, die de wapenen konden hanteeren, nauwelijks 500 over waren. Caesar trok zich hunner op 't ijverigst aan, om zijn medelijden met ongelukkigen en smeekelingen te toonen. Hij veroorloofde hun, in hun land en in hun steden te blijven en verbood hun naburen, hun geweld aan te doen en vijandelijkheden jegens hen te plegen.
29. De Aduatukers, waren, als boven gezegd, met hun geheele strijdmacht tot bijstand der Nerviërs opgebroken. Maar op het bericht van dezen slag keerden zij midden in hun marsch naar huis terug, gaven al hun steden en burchten prijs en wierpen zich met al hun have in één stad, die van nature uitstekend bevestigd was. Terwijl zij rondom aan alle overige kanten zeer hooge rotsen en steile wanden had, was zij aan éénen kant ter breedte van niet meer dan tweehonderd voet langs een zacht oploopenden weg toegankelijk. Dit punt hadden zij door een dubbelen, zeer hoogen muur versterkt; verder brachten zij zware rotsblokken en van voren met een punt voorziene balken op den muur. Zijzelf stamden af van de Kimbren en Teutonen. Dezen hadden namelijk, toen zij naar onze provincie en Italië opbraken, de bagage, die zij niet met zich konden voeren, met een wacht en een bedekking van 6000 man aan deze zijde van den Rijn achtergelaten. Na den ondergang der Kimbren en Teutonen werden zij door de nabuurvolken aangegrepen, en vele jaren lang weerden zij zich, nu eens zelf aanvallenderwijze te werk gaande, dan weer zich tot de verdediging beperkende, totdat er eindelijk vrede kwam en zij met algemeene instemming deze streek tot hun woonplaats namen.
30. Bij het verschijnen van ons leger deden zij talrijke uitvallen uit de stad en maten zich in kleine gevechten met de onzen. Caesar liet daarop de veste met een muur van