Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/72

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

twaalf voet hoog en vijftien mijlen in omvang, benevens talrijke schansen insluiten. Nu bleven zij binnen de stad. Toen echter de schutdaken waren aangevoerd, de wal opgeworpen was en zij nu in de verte een toren zagen opbouwen, begonnen zij ecrst van den muur af daarmee te spotten en te schimpen: waartoe een zoo groot werk zoover van de stad werd opgericht; met wat voor handen of krachten zulke kleine menschen nog wel — want gewoonlijk zien alle Galliërs, groot van gestalte als zij zijn, met geringschatting op onze kleine gestalten neer — zich verbeeldden een zoo zwaren toren tegen hun muren te brengen.

31. Toen zij echter zagen, dat de toren werkelijk zich bewoog en dichter bij de muren kwam, zonden zij, verontrust door dit wonderbare en ongewone schouwspel, gezanten naar Caesar, die ongeveer het volgende zeiden: „De Aduatukers hielden zich overtuigd, dat de Romeinen met den bijstand der Goden oorlog voerden, daar zij zoo groote machines met zulk een groote snelheid konden voortbewegen. Zij waren daarom bereid, zich met have en goed op genade en ongenade over te geven. Dit ééne slechts baden en smeekten zij: indien Caesar soms in zijn grootmoedigheid en goedertierenheid, die zijzelf door anderen hadden hooren roemen, het volk der Aduatukers wilde in stand houden, dat hij hen dan niet zou ontwapenen. Alle grensvolken bijna waren hun vijandig en ijverzuchtig op hun dapperheid; zij zouden zich door het overgeven van hun wapenen tegen hen niet kunnen verdedigen. Moest het zoover met hen komen, dan gaven zij er de voorkeur aan, alles van het Romeinsche volk te dulden, dan zioh te laten doodmartelen door lioden, onder wie zij tot dusver gewoon waren geweest te heerschen."

32. Daarop antwoordde Caesar: hij zou hen, meer omdat 't zijn gewoonte was, dan omdat zij 't verdienden, met