Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/74

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

De vijanden vochten zoo moedig tegen hen, die van wal en torens hen beschoten, als van dappere mannen, bij het laatste uitzicht op redding, in een ongunstige stelling, was te verwachten, daar alleen op hun dapperheid al hun hoop op redding berustte. Toch werden zij met een verlies van ongeveer vier duizend man in de stad teruggeworpen. Den volgenden dag liet Caesar de poorten, zonder dat iemand tegenstand bood, openbreken en onze soldaten binnenrukken; alle inwoners en hun have verkocht hij als oorlogsbuit. De koopers gaven hem het getal der verkochte inwoners op als bedragende 53.000.

34. Ter zelfder tijd ontving hij tijding van Publius Crassus, die hij met één legioen tegen de Veneters, Venellers, Osismers, Coriosolieten, Esubiërs, Aulerkers en Rhedonen, — zeestaten aan den Atlantischen oceaan — gezonden had, dat al die volken onder Rome's heerschappij en opperhoogheid waren gebracht.

35. Toen geheel Gallië na deze krijgsdaden bedwongen was, verbreidde zich een zoo groote roep over dezen oorlog bij de barbaren, dat de volken aan gene zijde van den Rijn gezanten tot Caesar zonden en beloofden gijzelaars te geven en gehoorzaamheid te betoonen. Caesar beval deze gezantschappen met het begin van den volgenden zomer bij hem terug te keeren, omdat hij op het punt stond naar Italië en Illyrië te gaan. Daarop legde hij de legioenen bij de Carnuten. Anden en Turonen, in wier nabuurschap de oorlog was gevoerd, in de winterkwartieren en vertrok zelf naar Italië. Op zijn bericht over deze gebeurtenissen, werd tot het houden van een dankfeest van vijftien dagen besloten; een eer, welke tot dat tijdstip nog aan niemand was te beurt gevallen.