Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/75

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

DERDE BOEK.




Dit boek behandelt het derde jaar van den krijg (56 v. Chr.), waarin Caesar een gelukkigen zeeoorlog voerde tegen de Armorikers, nl. tegen de Veneters; hier leerden de Romeinen vloed en eb van den oceaan kennen. Verder overwon Crassus de Aquitaniërs.


1. Bij zijn vertrek naar Italië zond Caesar Servius Galba met het twaalfde legioen en een afdeeling ruiterij naar de Nantuaten. Veragrers en Seduners, wier gebied zich uitstrekt van het land der Allobrogen, het meer Leman en de Rhodanus tot de Hoogalpen. Doel dezer zending was, den weg over de Alpen te openen, dien de kooplui gewoonlijk met groot gevaar en onder betaling van zware tollen passeerden. Hij gaf Galba verlof, om, als hij 't noodig vond, in die streken met zijn legioen de winterkwartieren te betrekken. Galba leverde eenige gelukkige gevechten en nam verscheidene versterkte plaatsen. Eindelijk, toen men van alle kanten gezanten tot hem zond en gijzelaars stelde, maakte hij vrede en besloot daarop, twee cohorten in het gebied der Nantuaten te stationeeren en zelf met de overige cohorten van het legioen in Octodurus, een vlek der Veragrers, den winter over te blijven. Dit vlek ligt in