5. Het gevecht duurde nu reeds meer dan zes uur onafgebroken voort, en den onzen begonnen niet alleen de krachten, maar ook de werpspiesen te ontbreken. De vijand echter drong heftiger op ons in en begon, terwijl onze troepen steeds meer afgemat werden, den wal te doorbreken en de grachten vol te werpen. Het was nu tot het uiterste gekomen. Daar ijlden de hoofdman der eerste cohorte. Publius Sextius Baculus, die, zooals wij boven gezegd hebben, in den slag tegen de Nerviërs vele malen zwaar gewond was, en de tribuun Gajus Volusenus, een man van veel inzicht en groote dapperheid, op Galba toe en verklaarden, dat er slechts nog één mogelijkheid van redding was, nl, een uitval doen en het uiterste beproeven. Derhalve riep Galba de centurio's bijeen en liet door hen spoedig de soldaten weten, dat zij het gevecht langzamerhand moesten afbreken, slechts de vijandelijke werpspiesen opvangen en zich aldus van hun inspanning herstellen; dan moesten zij, op een gegeven teeken, uit de legerplaats losstormen en al hun hoop op hun dapperheid stellen.
6. De soldaten gehoorzaamden aan dit bevel en stortten zich plotseling uit alle legerpoorten op de vijanden, zonder hun tijd te laten om te zien, wat geschiedde, of zich te verzamelen. Alzoo keerde het geluk, en zij, die zich reeds verbeeld hadden in bezit van de legerplaats te zijn, werden van alle kanten omringd en nedergehouwen. Van meer dan 30.000 — in zoo sterken getale waren de barbaren, naar vertrouwbare berichten, voor onze legerplaats verschenen — bleef meer dan een derde op het slagveld. De rest sloeg vol schrik op de vlucht en zelfs niet op de hoogten lieten wij toe, dat zij halt hielden. Zoo keerden de onzen, nadat de gansche macht des vijands was verstrooid en hij zijn wapenen had weggeworpen, naar hun legerplaats en achter de verschansingen terug. Na dit treffen wilde Galba de