Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/80

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

hun bezit hebben. Zij nu begonnen met het vasthouden van Silius en Velanius, dewijl zij daardoor hun gijzelaars meenden terug te zullen krijgen, die zij aan Crassus gegeven hadden. Hun toongevend voorbeeld — zooals dan de Galliërs over ' t algemeen haastig en overijld in hun besluiten zijn — volgden de naburige stammen, die met hetzelfde doel Trebius en Terrasidius vasthielden. Daarop zond men spoedig gezanten rond en verbonden zij zich door middel hunner opperhoofden onder eede, in alles naar gemeenschappelijk besluit te handelen, gemeenschappelijk elke wending van het lot te dragen. Ook de overige staten ruiden zij op, om liever de van de voorvaderen geërfde vrijheid te verzekeren, dan het juk der Romeinen te dragen. Spoedig was de geheele zeekust voor hun besluit gewonnen, en nu zonden zij gemeenschappelijk afgezanten aan Crassus, met de verklaring, dat hij hun gijzelaars zou terugzenden, wilde hij de zijnen terughebben.

9. Op Crassus' bericht van deze voorvallen, gaf Caesar, wij hijzelf te ver af was, bevel, voorloopig in de rivier de Liger (Loire), die in den oceaan uitmondt, oorlogsschepen te bouwen, roeiers uit de provincie te lichten en te oefenen, matrozen en stuurlieden te werven. In korten tijd werd dit alles uitgevoerd, en zoodra het jaargetijde het toeliet, begaf Caesar zich naar het leger. Het bericht van zijn komst bereikte spoedig de Veneters en de overige staten. Te gelijk beseften zij, welk een ongehoorde daad zij begaan hadden, door gezanten, wier ambt altijd bij alle volken voor heilig en onschendbaar geldt, gevangen te nemen en in boeien te sluiten. Daarom rustten zij zich, overeenkomstig de grootte van het gevaar, tot den oorlog toe en maakten voornamelijk voor hun zeemacht de noodige aanstalten. Zij deden dat met te grooter vertrouwen, omdat zij zich veel van de natuurlijke gesteldheid van hun land