Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/81

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

beloofden. Zij wisten, dat de landwegen door poelen waren doorsneden, dat de scheepvaart bij de onbekendheid met de kusten en het geringe aantal havens moeilijk was; zij rekenden er op, dat onze troepen wegens gebrek aan toevoer zich niet lang in hun land konden ophouden. En viel zelfs alles tegen verwachting uit, dan hadden zij toch nog altijd de overmacht ter zee, terwijl de Romeinen zich niet gemakkelijk een vloot konden aanschaffen en met de ondiepten, de havens en de eilanden van de streken, waar zij den oorlog hadden te voeren, onbekend waren. En bovendien wisten zij wel, dat de scheepvaart in een binnenzee geheel iets anders was, dan die op den onmetelijken open oceaan.

Na het nemen der bovengenoemde maatregelen versterkten zij hun steden, brachten het koorn van het land daarbinnen en trokken zooveel schepen, als zij maar konden, bijeen in het land der Veneters, waar Caesar stellig en zeker den veldtocht zou openen. De Osismers, Lexoviërs, Namneten, Ambiliaten, Moriners, Diablinten, Menapiërs namen zij op in hun bondgenootschap en lieten uit het tegenoverliggende Britannië hulptroepen komen.

10. Dit waren de moeilijkheden in dezen oorlog, waarop wij boven hebben gewezen. Caesar had echter velerlei gronden, om dezen oorlog te gaan voeren: de wederrechtelijke gevangenneming van Romeinsche ridders, de opstand na de onderwerping, de afval na het stellen van gijzelaars, de verbinding van zoovele staten, in ' t bijzonder de vrees, dat ook de andere volken zouden meenen, zich hetzelfde te kunnen veroorloven, wanneer deze landstreek ongestraft bleef. Dewijl hij wist, dat de Galliërs bijna zonder uitzondering te allen tijde tot opstand geneigd zijn en zich gemakkelijk en spoedig tot een oorlog laten meesleepen; dat alle menschen nu van nature de vrijheid liefhebben