en de slavernij haten, zoo hield hij 't voor geraden, voordat nog meer staten zich bij het verbond aansloten, zijn leger te deelen en wijder uiteen te plaatsen.
11. Hij zond alzoo den legaat Titus Labienus met de ruiterij naar het land der Trevirers, onmiddellijk grenzende aan den Rijn, en droeg hem op, het gebied der Remers en dat der overige Belgen binnen te rukken en het in toom te houden, te gelijk de Germanen, die volgens gerucht door de Belgen te hulp waren geroepen, terug te werpen, indien zij met geweld over den Rijn wilden komen. Publius Crassus liet bij met twaalf cohorten van verschillende legioenen en een sterke afdeeling ruiterij naar Aquitanië opbreken, opdat niet van deze volken hulptroepen naar Gallië konden gezonden worden en op die wijze de vereeniging van zoo groote naties werd verhinderd. Den legaat Quintus Titurius Sabinus zond hij met drie legioenen tegen de Venellers, Coriosolieten en Lexoviërs, om deze volken bezig te houden. Den jongen Decimus Brutus stelde hij aan het hoofd der vloot en der Gallische schepen, die hij uit het gebied der Pictonen. Santonen en de overige onderworpen streken had bevolen zich te verzamelen, met het bevel, zoodra mogelijk tegen de Veneters uit te loopen. Hij zelf marcheerde daarheen met het landleger.
12. Met de ligging hunner steden was het in den regel zóó gesteld: zij waren op de spits van landtongen en voorgebergten aangelegd, en noch van de landzijde toegankelijk, daar de vloed regelmatig in een tijdsruimte van twaalf uur tweemaal intreedt, noch van de zeezijde, wijl bij het vallen van het water de schepen op de ondiepte geraken. Zoo werd de aanval op die steden in elk opzicht belemmerd. En zagen zich de vijanden eenmaal door de grootte onzer belegeringswerken soms overwonnen, was de zee door wallen en dammen teruggedrongen en waren deze