Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/83

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

tot de hoogte der stadsmuren opgevoerd, zoodat de belegerden aan hun toestand begonnen te wanhopen, dan lieten zij een menigte schepen, die zij in overvloed hadden, landen, scheepten al hun have in en trokken zich terug in de naastbijzijnde steden, waar zij zich opnieuw onder dezelfde plaatselijke gunstige omstandigheden verdedigden. Dat deden zij een groot deel van den zomer te gemakkelijker, omdat stormen onze schepen ophielden en de scheepvaart op de uitgestrekte en open zee bij de hooge vloedgolven en het bijna volslagen gebrek aan havens buitengewoon moeilijk was.

13. De schepen der Veneters waren op de volgende manier gebouwd en uitgerust. De kielen waren aanzienlijk vlakker dan bij onze schepen, om des te minder van ondiepten en eb te lijden te hebben; voordek en achterdek ongemeen hoog, in overeenstemming met de kracht der golven en stormen. De schepen waren verder geheel en al van eikenhout, om bestand te zijn tegen alle wederwaardigheid en ongemak. De gebinten van het dek waren door balken van een voet hoogte door middel van ijzeren nagels van een duim dik aan elkaar genageld. In plaats van aan touwen hingen de ankers aan ijzeren kettingen; in plaats van linnen zeilen hadden zij er van huiden en van dun leder, hetzij uit gebrek aan vlas en onbekendheid met het gebruik daarvan, hetzij, wat waarschijnlijker is, omdat zij meenden, dat linnen zeilen niet bestand waren tegen zulke hevige stormen en zulke geweldige windstooten en de zware schepen zich er niet gemakkelijk genoeg door lieten regeeren. Wanneer nu onze vloot met deze schepen tezamenstiet, zoo had zij alleen de snelheid van beweging en het roeien in haar voordeel, maar overigens, in aanmerking van de plaatselijke gesteldheid en de heftige stormen aan die kust, waren die schepen geschikter en bruikbaarder. Want ook met de scheepssneb kon men hun schepen geen schade