Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/84

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

doen, zoo sterk waren zij gebouwd, en wegens hun hoogte kon men ze niet licht beschieten, of gemakkelijk enteren. Daar kwam bij, dat zij, als het begon te stormen en zij zich aan den wind overgaven, gemakkelijker den storm weerstonden, met geringer gevaar op de ondiepten liepen en bij het afloopen van den vloed niets van klippen en riffen te vreezen hadden, terwijl onze schepen zich voor dit alles buitengewoon hadden in acht te nemen.

14. Na de verovering van verscheiden steden der Veneters zag Caesar in, dat zijn zoo groote inspanning te vergeefs was, en dat hij ook na het nemen van een stad de vlucht der vijanden toch niet kon verhinderen, of hun afbreuk doen. Hij besloot daarom de aankomst zijner vloot af te wachten. Zoodra zij kwam en in het gezicht der vijanden verscheen, liepen dezen terstond met ongeveer 220 schepen, die volkomen slagvaardig en in elk opzicht wel uitgerust, waren, uit de haven uit en stelden zich recht tegenover ons. Noch de oppervlootvoogd Brutus, noch de krijgstribunen en centurio's, die de afzonderlijke schepen commandeerden, konden 't met zichzelf eens worden, wat zij zouden doen, of hoe zij den kamp beginnen zouden. Want met de scheepssnebben wisten zij, dat zij hun niet konden schaden; boven de torens echter, die zij hadden opgericht, staken de achterstevens der vijandelijke schepen nog uit, zoodat men ze van dit lager gelegen punt niet gemakkelijk kon beschieten, terwijl de door de Galliërs geslingerde werpspiesen des te zwaarder troffen. Eén maatregel slechts bewees ons goede diensten: scherpe zeisen namelijk, op lange stangen gestoken en daaraan bevestigd, ongeveer op de manier van muursikkels [1]. Hiermee greep

  1. IJzeren haken aan lange stangen, waarmee steenen uit de muren werden uitgerukt.