Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/86

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

dienstplichtige jongelingschap en alle oudere mannen van eenig inzicht en aanzien waren daar verzameld geweest, maar ook alle hun ten dienste staande schepen hadden zij op dit ééne punt vereenigd gehad. Na hun verlies had alzoo het overschot geen toevluchtsoord, en was de verdediging der steden onmogelijk geworden. Derhalve gaven zij zich aan Caesar op genade en ongenade over. Hij besloot hen te zwaarder te straffen, opdat in het vervolg de barbaren het recht der gezanten te nauwgezetter zouden in acht nemen. Hij liet daarom hun geheelen grooten raad ter dood brengen en de overigen als slaven verkoopen.

17. Terwijl deze gebeurtenissen voorvielen in het land der Veneters, was Quintus Titurius Sabinus met de troepen, die hij van Caesar had meegekregen, in het gebied der Venellers gekomen, aan wier hoofd Viridovix stond, die te gelijk het opperbevel voerde over al de afgevallen volken, waaruit hij een leger en groote strijdkrachten had tezamen gebracht. En weinige dagen later hadden ook de Eburoviken, een stam der Aulerkers, en de Lexoviërs hun senaat, die den oorlog niet wilde goedkeuren, vermoord, hun poorten gesloten en zich met Viridovix vereenigd. Bovendien was nog een groote menigte gespuis en benden roovers uit alle deelen van Gallië samengekomen, die roofzucht en krijgslust van den akkerbouw en den dagelijkschen arbeid had afgeroepen. Sabinus bleef op een in elk opzicht geschikte plaats rustig in zijn legerkamp, terwijl Viridovix op een afstand van twee mijlen tegenover hem stelling had genomen, dagelijks zijn troepen deed uitrukken en den slag aanbood. Zoo werd Sabinus niet alleen verachtelijk in het oog der vijanden, maar ook zijn eigen soldaten smaalden eenigermate op hem. Zijn houding maakte zoozeer den indruk, alsof hij bang was, dat de vijanden reeds dicht bij onzen legerwal dorsten te komen. De