Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/88

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

een uitgestrektheid van een mijl langzaam opsteeg. In stormpas snelden de vijanden dezen heuvel op, om de Romeinen zoo min mogelijk tijd te laten zich te verzamelen en zich te wapenen. En zoo kwamen zij buiten adem boven aan. Sabinus gaf, na de zijnen te hebben aangevuurd, het verlangde teeken tot den aanval en liet hen plotseling uit twee poorten een aanval doen op de Galliërs, die wegens den last, welken zij droegen, niet strijdvaardig waren. Ten gevolge van het gunstige terrein, de verrassing en de vermoeienis der vijanden, de dapperheid onzer soldaten en hun in vorige gevechten verkregen geoefendheid, werden de Galliërs reeds bij den eersten aanval overhoop geworpen en sloegen zij terstond op de vlucht. Onze soldaten vervolgden met frissche krachten de onbeholpen vijanden en doodden een groot aantal hunner; de ruiterij vervolgde de overigen en liet slechts weinigen over, die op de vlucht waren ontkomen. Zoo werden terzelfder tijd Sabinus van den zeeslag en Caesar van Sabinus' zege onderricht, en al deze staten gaven zich terstond aan Titurius over. Want zoo licht ontvlambaar en spoedig tot den krijg besloten de Galliërs zijn, zoo week en weinig volhardend zijn zij in het ongeluk.

20. Bijna terzelfder tijd was Publius Crassus in Aquitanië aangekomen, dat, als vroeger gezegd, zoowel naar zijn grootte als naar zijn bevolking als een derde deel van Gallië moet worden beschouwd. Wetende, dat hij op denzelfden bodem had krijg te voeren, waar weinige jaren vroeger de legaat Lucius Valerius Praeconinus slag en leven had verloren, en de proconsul Lucius Mallius met verlies van zijn legertrein had moeten vluchten, begreep hij, dat hij met ongewone voorzorg moest te werk gaan. Hij voerde derhalve zijn leger het gebied der Sontiaten eerst binnen, na voor de proviand gezorgd, hulptroepen en