Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/89

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

ruiterij ontboden, buitendien vele dappere mannen uit Tolosa (Toulouse) en Narbo (Narbonne), nabuurstaten der Gallische provincie, bij name tot zich geroepen te hebben. Op het bericht van zijn nadering hadden de Sontiaten groote troepenmassa's en ruiterij, — deze maakte hun voornaamste sterkte uit — samengetrokken en grepen daarmee ons leger op zijn marsch aan. Eerst hadden wij met hun ruiterij te doen, maar vervolgens, toen deze overhoop geworpen was en de onzen haar achternazetten, kwam onverwacht ook hun voetvolk uit een hinderlaag in een dal te voorschijn, dat onze uit elkaar geraakte troepen aanviel en aldus het gevecht hernieuwde.

21. Lang en heftig is er gevochten. Want de Sontiaten, vertrouwende op hun vroegere overwinningen, meenden, dat van hun dapperheid het heil van geheel Aquitanië afhing; onze troepen echter wilden bewijzen, wat zij ook zonder den opperbevelhebber en zonder de overige legioenen, onder een nog zeer jeugdigen aanvoerder vermochten te volbrengen. Eindelijk sloeg de vijand, na groote verliezen te hebben geleden, op de vlucht. Crassus richtte een groote slachting onder hen aan en begon toen terstond een aanval op de stad der Sontiaten. Daar zij dapper weerstand boden, liet hij schutdaken en torens aanvoeren. De belegerden waagden nu eens uitvallen, dan eens legden zij mijnen aan onder onzen aardwal en onze schutdaken; want hierin zijn de Aquitaniërs bijzonder bedreven, daar zich bij hen op vele plaatsen erts- en steengroeven bevinden. Toen zij echter zagen, dat, bij de waakzaamheid der onzen, met dit alles niets viel uit te richten, zonden zij gezanten aan Crassus, met de bede, hun onderwerping aan te nemen. Crassus ging daar op in, en zij leverden, overeenkomstig zijn bevel, hun wapenen uit.

22. Terwijl deze gebeurtenissen al de opmerkzaamheid