der onzen in beslag namen, beproefde de opperbevelhebber der Sontiaten. Adjatunnus, met 600 "Getrouwen", die zij in hun taal "Solduriërs" noemen, aan den anderen kant der stad, een uitval. Die "Solduriërs" plegen al het goede des levens gemeenschappelijk te genieten met hen, wien zij zich als vrienden hebben toegewijd; lijden dezen daarentegen eenig ongeval door geweld, dan moeten zij hetzelfde lot met hen deelen, of zich van het leven berooven. En inderdaad is er zoolang als menschenheugenis strekt niemand geweest, die na den dood van hem, dien hij tot zijn vriend had uitverkoren, geweigerd heeft den dood te ondergaan. Met deze troepen dan trachtte Adjatunnus een uitval te doen. Op het geschreeuw, dat zich aan dien kant der verschansing verhief, grepen onze soldaten naar de wapenen en Adjatunnus werd na een heeten strijd in de stad teruggedreven. Toch verwierf hij van Crassus dezelfde voorwaarden van onderwerping, als de anderen.
23. Na ontvangst van wapenen en gijzelaars rukte Crassus het gebied der Vocaten en Tarusaten binnen. Het bericht, dat een door natuur en kunst zoo sterke stad binnen weinige dagen, nadat de Romeinen er vóór gekomen waren, was veroverd, had een zoo diepen indruk gemaakt, dat de barbaren overal heen gezanten zonden, bondgenootschappen sloten, wederkeerig gijzelaars gaven, troepen uitrustten. Zelfs tot de staten in Spanje t, n, van de Ebro, die grenzen aan Aquitanië, werden gezanten gezonden; hulptroepen en aanvoerders werden van daar ontboden. Toen dezen aankwamen, begon men den oorlog met grooten nadruk en sterke krijgsmacht te voeren. Tot aanvoerders koos men hen, die al den tijd onder Quintus Sertorius hadden gediend en in den roep stonden van buitengemeene kennis van het krijgswezen te bezitten. Dezen begonnen, naar Romeinsche gewoonte, geschikte stellingen te